Concurrentiebeding na overname: een update

In deze blog is in 2013 aandacht besteed aan het concurrentiebeding na overname, dat doorgaans aan de verkoper van een onderneming wordt opgelegd nadat hij zijn onderneming heeft verkocht. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan de Mededeling van de Europese Commissie waarin richtlijnen worden gegeven over de redelijkheid van concurrentiebedingen in het kader van een fusie of overname. Volgens deze Mededeling zijn concurrentiebedingen gerechtvaardigd voor een periode van maximaal 3 jaar wanneer de overname zowel goodwill (‘klantentrouw’ ) als knowhow omvat. Wanneer het beding uitsluitend op goodwill betrekking heeft, is in beginsel een periode van maximaal 2 jaar gerechtvaardigd.

Sindsdien zijn er uiteraard nieuwe rechterlijke uitspraken over dit onderwerp gepubliceerd, die in deze blog worden besproken.

In een uitspraak van 1 april 2014 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is een concurrentiebeding met een duur van 5 jaar getoetst aan de Mededingingswetgeving. Het Hof oordeelt dat in uitzonderlijke gevallen langere periodes gerechtvaardigd zijn dan de periodes genoemd door de Commissie. Van een uitzonderlijk geval kan sprake zijn bij een hoge graad van klantentrouw, een lange levensduur van de producten en specifieke kennis van de markt.

Meer recent, op 16 maart 2016 heeft de Rechtbank Midden-Nederland  eveneens geoordeeld dat 5 jaar niet disproportioneel is voor een concurrentiebeding na een overname. De omstandigheden die in deze zaak een langer beding rechtvaardigden waren gelegen in de zeer stabiele en vrij onveranderlijke markt, waarbij de klant-en leveranciersrelaties langdurig van aard zijn, en het feit dat verkoper over een vergaande kennis van concurrentiegevoelige zaken beschikte.

Het valt op dat de omstandigheden die een verlenging van het concurrentiebeding zouden kunnen rechtvaardigen zich bij de meeste overnames zullen voordoen. Hieruit zou voorzichtig kunnen worden afgeleid dat bij koop van knowhow en goodwill van een verkoper, die al lang actief is in een overzichtelijke en voor hem zeer bekende markt, 5 jaar eerder de norm is dan 3 jaar. Voor partijen die de discussie bij de rechter niet aan willen gaan blijft 3 jaar de veiligste optie.

Noemenswaardig is tot slot de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 23 april 2014. Hierin wordt een concurrentiebeding na overname uitgebreid getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Bijzonder aan deze uitspraak is dat de Rechtbank het beroep op de bagatel-regeling van artikel 7 lid 2 van de Mededingingswet verwerpt, omdat sprake zou zijn van een zogenaamd ‘strekkingsbeding’. Dit wil zeggen dat het non-concurrentiebeding volgens de Rechtbank is opgenomen met de bedoeling om de mededinging te beperken. Het daadwerkelijke effect van dit beding is dan niet meer relevant. In dat geval kan geen beroep worden gedaan op de bagatel-regeling, aldus de Rechtbank. De Rechtbank lijkt aan te sluiten bij de inhoud van De Minimis Bekendmaking van de Commissie van 25 juni 2014, waarin dit is opgenomen, maar het is zeer de vraag of deze Bekendmaking boven artikel 7 lid 2 van de Mededingingswet gaat. Wij menen van niet omdat sprake is van beleidsregels en geen Europese wetgeving, en uit het tussenarrest van 7 juni 2016 zou kunnen worden afgeleid dat het Gerechtshof te Den Haag er in hoger beroep ook zo over denkt. Het Hof wil het concurrentiebeding namelijk inhoudelijk gaan beoordelen (en gaat dus kennelijk niet uit van nietigheid op grond van de Europese regels).